Bezet

Het moest een keer gebeuren en nu is het zover. Dit jaar herdenken we vijfenzeventig jaar vrede en dus kan ik niet achterblijven. Maar niet aan de hand van oorlogsrestanten die ook in Oudorp te vinden zijn. Neem het bunkertje voor luchtdoelgeschut aan de Molenkade of de “drakentanden”die onderdeel uitmaakten van een tankversperring bij het Zwijnsmeerpad. Mijn gedachten gaan vooral terug naar tante Mien. Een vrouw die juist nu een mo(nu)mentje verdient. Ieder jaar begon onze zomervakantie in Tiel. Mijn tante woonde daar onder de dijk waarachter de imposante Waal door ons land snijdt. Aan die drukbevaren rivier genoot ik van voorbij glijdende rijnaken en duwcombinaties. Een schouwspel waarin ik een bijrol opeiste door keilend platte stenen over het wateroppervlak te laten stuiteren, in een poging de romp van een schip te raken. Tante Mien was een pronte gastvrouw met armen als bovenbenen. Ze overvoerde ons met hompen dik belegde boterhammen en bomvolle borden met aardappels, groenten en kip. Variatie was haar vreemd. Haar volumineuze gestalte dwong respect af en haar donkere stem maakte dat je het uit je hoofd liet een tweede bord te weigeren. “Dooreten jongetje. Ik zorg dat we in dit huis nooit meer zo’n honger lijden als toen.” zei ze er steevast bij. Vlijtig deed ik wat me opgedragen werd in de veronderstelling dat mijn tante de beste waarborg was voor een aanhoudende periode van vrede. Tante Mien had geen kinderen wat niet zo vreemd was want ze was alleenstaand. Het huis was overigens wel vergeven van foto’s van een man met diepliggende vrolijke ogen, een verbeten glimlach en een verfomfaaide schipperspet. Volgens mijn vader was dat de man van tante Mien die schipper was op de pont tussen Tiel en Wamel. Tijdens de oorlog lag Wamel in bevrijd gebied en op een dag wees hij me de plek waar tante Mien en oom Geurt wapens aan land brachten. Na een overzetting keerde oom Geurt niet meer terug. Gedood in actie volgens mijn vader maar tante Mien kon dat niet geloven en heeft haar hele leven naar hem uitgekeken. De dagen bij mijn tante kregen sindsdien een diepe lading. Nederig bekeek ik de reusachtige heldin die de bezetter had getart door boten vol met wapens over te zetten. Een oneindige eenzaamheid was haar loon. De oorlog had haar een grote liefde ontnomen en levend in vrijheid bleef ze in gedachten bezet.

Leen